Ingezonden verhalen uit de oude doos,
geschreven door Wim Jansen.
|
Beste Marcel,
Hierbij het verhaal over mijn eerste kennismaking met de Canarische
Eilanden (in feite Gran Canaria), ofschoon ik meende dat ik je dat
al gestuurd had. Maar ik heb ook wat geschreven voor een groep
Senioren, die met z'n allen naar Gran Canaria gaan en iets wilde
hebben voor hun interne communicatieblaadje. Vandaar dat ik er niet
zeker van ben . Mocht je het al hebben dan moet je maar denken: "doppelt
genäht hält besser!". Het verhaal is misschien wel een leuk begin
voor de reeks daarop volgende verhaaltjes, als je die wilt plaatsen.
Je hebt er nu dus drie en er zijn er voorlopig nog drie in de maak:
|
Eerste kennismaking.
Mijn eerste kennismaking met de Canarische Eilanden was in de zestiger jaren,
toen ik als reisleider meeging met een groep van 35 personen voor een z.g.
overwinteringsreis ( van Sinterklaas tot Pasen) van de Europa-Stichting.
We vlogen op een Zondag eind November via Madrid naar Las Palmas, want Gran
Canaria was onze bestemming. Om het nog preciezer aan te duiden: we zouden de
komende maanden verblijven Hotel Santa Brigida op de hellingen van de
(uitgedoofde vulkaan) Tamadaba. Een redelijk luxe hotel dat toebehoorde en onder
leiding stond van een vermogende Engelse officiersweduwe met haar zoon Major
Quiney, een “uitgetreden” majoor van het voormalige Territorial Army. Een
Engelse officier zoals we die ons traditioneel voorstellen.
Voor mij was het de eerste keer dat ik op de Canarische Eilanden was, maar dat
is dan niet de inlichting die je als reisleider/gids aan je passagiers
verstrekt. Dus nadat de kamers verdeeld waren stelde ik mijn gasten voor de
volgende dag in alle rust en kalmte te besteden aan het gewennen aan de nieuwe
omgeving en de heerlijke temperatuur, om dan Dinsdag onder mijn leiding kennis
te gaan maken met Las Palmas.
Wie stond er dus Maandagmorgen vroeg in de startblokken om gewapend met het
Duitstalige gidsje “Einführung zu den Kanarischen Inseln” naar de stad te gaan.?
Uw dienaar met een vragende blik, want we waren dan gisteren wel met een eigen
bus naar boven gekomen, maar hoe die 11 Km. naar beneden te overbruggen was me
nog niet verteld. De receptie bood uitkomst. Er stonden terzijde van het hotel
een aantal minibusjes, bemand door evenzoveel “piratas”, die de hotelgasten
allen tegelijk bestormden om dan tegen een tevoren onderhandelde prijs de
verbinding met de stad te verzorgen. De onderhandelingen ontaardden alras in een
soort Poolse landdag, waar geen touw aan vast te knopen was en dus hakte ik de
knoop maar door en stapte in de eerste de beste minibus. Of dat inderdaad de
beste en goedkoopste was, is toen niet gebleken, maar in de loop van de tijd
leerde ik alle piraten met naam en toenaam kennen en dat was een hele mooie
aanloop voor een uiterst hechte semi-commerciële relatie, die ik later nog wel
eens uitgebreid zal vertellen.
In Las Palmas stopte het busje vóór de Kathedraal bij de twee bronzen honden,
die de naamgevers van de eilanden voorstellen, want de naam Canarias komt niet
van de bekende kwelende vogeltjes, maar van het Latijnse woord canis , dat hond
betekent. Op de eilanden leefde sinds mensenheugenis een hondenras, dat heel
speciaal was omdat de honden zéér weinig haargroei hadden en heel lichte ogen.
Het zijn die majoreros die de eilanden aan hun verwarrende naam geholpen hebben.
Dat was een uitgelezen startpunt, want in het gidsje stond die kathedraal als
eerste en voornaamste bezienswaardigheid vermeld. Het was er donker en zelfs de
zilveren kroonluchter, die er moest hangen, was niet te onderscheiden. Gelukkig
liep er een geestelijke rond, die zeker welwillend de argeloze toerist zou
willen helpen. Er ontspon zich de volgende conversatie:
“Padre, waar hangt de corana de plata die in mijn boekje staat?”
“Die is bij de zilversmid voor reparatie en het zal op z’n Spaans nog wel even
duren voordat U hem te zien kunt krijgen. Maar er zijn nog veel meer mooie
dingen hier in de stad, zoals het Casa de Colòn. Als U er tijd voor heeft moet U
dat zeker gaan zien.”
“Tijd heb ik genoeg, Padre, want ik zit hier tot Pasen en tegen die tijd ken ik
de stad waarschijnlijk wel op mijn duimpje.”
“Waarom zit U hier dan zo lang?”
Uitgelegd waarom ik tot Pasen bleef en wat ik deed en dat ik de tijd o.a. goed
wilde gebruiken om mijn steenkolen-Spaans te verbeteren.
“Maar U spreekt toch heel goed Spaans?”
“Ik heb altijd geleerd dat paters niet mogen jokken en U maakt het nu wel heel
erg bont met Uw compliment.”
Als keuvelend kwamen we buiten op het zon-overgoten plein en nadat mijn ogen
weer wat gewend waren aan het overdadige zonlicht, zag ik dat mijn gewijde
partner in het gesprek niet de vermoede zwarte toog droeg, maar een toog die
afgezet was met purperen biezen en purperen knoopjes. En ter bekroning van het
geheel een brede purperen zijden sjerp met kwasten. Uit mijn misdienaarstijd
wist ik dat dit minstens een kannunik moest wezen om niet van nog hoger te
spreken.
“Als U serieus echt goed Spaans wilt leren in de maanden dat U bij ons te gast
bent, wil ik U wel helpen. Maar voor wat hoort wat en als U mij dan Engels wilt
leren, dan hebben we een goede afspraak, waar we allebei plezier van kunnen
hebben.”
En dat plezier heb ik er nog steeds van, want het bleef niet bij de Spaanse taal
alleen, mijn mentor bleek achteraf eerder leraar te zijn geweest op het
seminarie van Gran Canaria voor Spaans en geschiedenis. En onder zijn straffe
leiding heb ik mij door alle 13 delen van de Historia de España heen geworsteld
en zijn mijn geen details van de bewogen en interessante geschiedenis van Spanje
bespaard gebleven.
Die straffe leiding loog er niet om, want ik kreeg huiswerk op en bijstomme
fouten die ik maakte was het woord tonto soms niet van de lucht. Maar ik ben er
nog steeds trots op dat Spanjaarden na al die jaren nog steeds een ietwat
Canarische tongval kunnen bespeuren.
De volgende Dinsdagmorgen nam een doorgewinterde reisleider zijn gasten mee door
Las Palmas en kon met een gerust hart wijzen op de vele details die hem ( zoals
de gasten waarderend opmerkten) natuurlijk door een langdurig verblijf op het
eiland en in de stad als interessant voor zijn gasten waren opgevallen.
De oprichting van
het Piraten-Collectief.
Het was op Gran Canaria in de jaren zestig enerzijds allerminst eenvoudig om van
Santa Brigida op de hellingen van de Tamadaba naar de hoofdstad Las Palmas te
komen, anderzijds was de verbinding uitstekend, veelvuldig, veilig en gezellig.
Dat vraagt om uitleg.
Moeilijk was het omdat de verbinding onderhouden werd door een aantal busjes,
die bestuurd werden door hun individuele eigenaren. Het gevolg was dat zodra een
mogelijke passagier zich maar vertoonde hij/zij belaagd werd door deze piratas,
die dan een min of meer aantrekkelijk voorstel deden voor een ritprijs. Door de
onderlinge concurrentie van de heren kon dat wel enige tijd in beslag nemen en
het hing dan maar af van de onderhandelingsvaardigheden van de toekomstige
passagier en/of zijn vervoerder of het een prijs werd, waar de chauffeur ook nog
een redelijke boterham aan kon overhouden. In het algemeen werd het dan een
boterham “met tevredenheid”, want de piratas gunden elkaar ternauwernood het
licht in de ogen en reden daardoor bijna liever met verlies dan elkaar een rit
te gunnen.
Maar van de andere kant: er was een behoorlijk aantal busjes, dat regelmatig af
en aan reed, in redelijke staat van onderhoud verkeerde en daardoor wel veilig
was. Toegegeven, de weg naar beneden, 12 km. Lang, was bochtig, smal en door
slecht onderhoud een beetje hobbelig, maar de chauffeurs hadden die weg
inmiddels zo ontelbaar vele keren gereden dat zij letterlijk elke steen en kuil
in het wegdek van buiten kenden. Bovendien was het geen drukke weg, want het was
de toegang van de kust naar het binnenland en daarvoor was de belangstelling
toentertijd minimaal. Op de weg tussen Santa Brigida en Las Palmas was er alleen
de Centrale Gevangenis van de Canarias en een grote sigarenfabriek, waar de
Havana-sigaren werden gemaakt, die men niet rechtstreeks vanuit Fidel Castro’s
Cuba kon of wilde importeren.
Omdat ik als reisleider mijn “hoofdkwartier” had in Hotel Santa Brigida, waren
de gasten daarvan, net als ikzelf, vaste klanten van de piratas. Met de
bijbehorende klachten die ik op mijn bord kreeg: van onvriendelijke behandeling,
afgezet worden door te weinig te hebben teruggekregen of teveel te hebben moeten
betalen, op de verkeerde plaats te moeten uitstappen en alles wat daartussen kan
liggen.
Na verloop van niet al te lange tijd ging mij dat knap de keel uithangen en ik
besloot eens met de piratas te gaan praten of daar niet iets aan te doen was.
Dat was nog lang geen eenvoudige opgave, want er was natuurlijk geen
woordvoerder, laat staan een gemeenschappelijk standpunt. Er was eigenlijk maar
één weg begaanbaar. Eerst met ieder individueel te praten om instemming te
krijgen met een plan dat ik in mijn hoofd had en daarmee, van man tot man
gaande, een olievlek-achtig procédé op gang te brengen waardoor na verloop van
tijd iedereen zou weten wat een mogelijke oplossing zou kunnen zijn voor hun
onderlinge naijver en de nadelige gevolgen daarvan.
Mijn plan was namelijk om samen met hen een soort syndicaat te vormen, waarin
zij allen zonder uitzondering zouden deelnemen. Er zou dan een prijsafspraak
moeten komen voor een rittarief dat zij allen zouden hanteren en waarvan zij een
bepaald deel zouden afdragen voor gezamelijke besteding aan onderhoud,
vervanging en wat dies meer zij. Middels een soort stemming zouden ze moeten
bepalen wie hun vertegenwoordigers zouden zijn naar buiten om het hele concept
ook administratief netjes op de rails te zetten.
Onder mijn gasten was een voormalig jurist en notaris, die weliswaar geen expert
was op het gebied van Spaans ondernemingsrecht, maar dat wel in een voor
Nederland geldige vorm kon gieten. Dat heb ik vervolgens met hulp van een
Canarische relatie in correct legaal Spaans vertaald gekregen en dat was althans
een begin van een zenuwslopend traject om alle piratas op één lijn te krijgen.
Maar uiteindelijk is het toch gelukt en ongeveer een maand vóór ik vertrok aan
het einde van de overwinteringsperiode, was het zover. We hadden een “Capo” die
door allen als “Eerste onder zijns gelijken” werd aanvaard. Er was ook een
vrijwilliger uit Santa Brigida die vroeger als boekhouder had gewerkt en die
bereid was de centen te beheren en iedere deelnemer aan het eind van de week
zijn aandeel uit te betalen.
Dat bestond dan uit een vast bedrag dat was samengesteld uit een groot
percentage van de gezamelijke opbrengst, gedeeld door het aantal deelnemers.
Daarnaast kwam dan nog een luttel bedrag bij op grond van ieders uitgevoerde
ritten en rekening houdend met het aantal passagiers en het tijdstip van de
uitgevoerde ritten: vóór acht uur ’s morgens, tijdens de siësta en na acht uur
’s avonds. En natuurlijk werd een voldoende percentage ingehouden en
gereserveerd voor onderhoud, verzekeringen, vervangingen, vergoedingen en
salarissen voor werk ten algemene nutte. Op papier en in theorie was het een
alleszins aanvaardbaar concept en het kostte dan ook betrekkelijk weinig moeite
om daarvoor alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Maar toen de practijk dan
moest gaan werken en iedereen de eerste uitkering uit de gemeenschappelijke pot
zou gaan krijgen, sloeg het sceptische duiveltje toe en begon de strijd tegen
het wantrouwen en het gevecht om het vertrouwen in de toch gezamenlijk aanvaarde
leiding en beheer. Maar uiteindelijk is het inderdaad toch gelukt. Toen ik in
1994 voor een korte vacantie terug was op Gran Canaria zag ik met groot genoegen
dat het concept na 30 jaar nog steeds goed werkte en nog niet zo heel lang
geleden heb ik tot mijn zeer grote voldoening uit zéér betrouwbare bron vernomen
dat ook na ruim 40 jaar de “Piratas” voortgaan in onderlinge harmonie en met
profijtelijk gewin passagiers van Santa Brigida naar Las Palmas te brengen. Toch
leuk, hè?
De injecties van de
practicante.
Voor wie als reisleider in de zestiger jaren als reisleider voor een groep
overwinterende gasten op de Canarische Eilanden werkzaam was, bleek het een heel
aparte ervaring te zijn als een van de gasten een lichamelijke stoornis
vertoonde waarvoor medische assistentie noodzakelijk bleek.
De eerste stap was dan een gang naar de receptie van het hotel om daar via de
receptionist een dokter te waarschuwen. De tweede stap was het overwinnen van de
traditionele Spaanse nieuwsgierigheid bij de receptionist die eerst een volledig
inzicht in het onderhavige ziektebeeld wilde hebben, voordat hij over te halen
was om de dokter te bellen. Maar als die hindernis genomen was, duurde het maar
heel even voordat de geneesheer zich hijgend van het haasten meldde.
De ware reden van die haast werd al snel duidelijk, want de dokter talmde niet
lang om de reisleider ervan te doordringen dat “en caso de enfermedad, siempre
llamar el doctor Don Rafaël” de beste garantie was om een spoedige genezing te
bewerkstelligen. En dat het “in geval van ziekte altijd Dokter Don Rafaël
bellen” niet vergeten zou worden, voelde de reisleider discreet een biljet van
50 Pesetas in de palm van zijn hand kietelen.
Dan spoorslags naar boven waar de patiënte, een vermogende weduwe, aan een
grondig onderzoek werd onderworpen, zoals zij even later, niet ontevreden over
de genezerik, aan de geduldig op de gang wachtende reisleider verklaarde.
Ik verwachtte dat ik een recept zou krijgen om daarmee naar de apotheek te
kunnen gaan om een medicijn te halen, maar de dokter verzekerde mij dat een
injectie in dit geval meer effect zou hebben en dat die injectie wat later in de
middag door de “practicante” zou worden toegediend. Het leek mij duidelijk dat
dat een verpleegkundige zou zijn, bekwaam en bevoegd tot die geneeskundige
ingreep. Tot die tijd, aldus de dokter, hoefde ik mij geen zorgen te maken over
het welzijn van “onze” patiënte, haar aandoening was niet ernstig.
Tegen het aangekondigde tijdstip wachtte ik bij de receptie op de komst van de
practicante en knoopte intussen een gesprekje aan met wat Engelse gasten, aan
wie ik vertelde dat ik elk ogenblik de injecteur kon verwelkomen. Even later
verscheen een persoon, die aan mijn gezelschap de verschrikte kreet ontlokte:
“But that’s the taxi-driver !!” en die zichzelf nu als “el practicante”
aandiende en voorstelde. Ons aller ongelovige blik was voor de receptionist
aanleiding om mij rap te vertellen dat in Spanje toentertijd artsen niet zelf
injecties toedienden, maar dat overlieten aan bekwame en ook bevoegde personen,
die dan als practicantes werden ingeschreven en die, na een ter zake aangepaste
en voltooide opleiding, dat als nevenberoep mochten uitoefenen.
Nauwelijks gerustgesteld ging ik met hem naar boven en liet hem binnen bij mijn
zieke weduwe. Zelf wachtte ik natuurlijk discreet en toch wat nerveus op de
gang. Even later kwam een van de kamermeisjes voorbij en verbaasd om mij daar
drentelend op de gang te zien ijsberen, wilde ze natuurlijk weten wat er aan de
hand was. Vertelde haar dat de practicante er was, dat ik niet wist hoe lang het
zou duren en dat ik wel zou zien als hij weer naar buiten kwam. Dat was heel
makkelijk zei ze: “U hoort een flinke klap, dan een luid gegiechel van de man en
even later komt hij dan naar buiten.” En inderdaad, niet lang daarna hoorde ik
een flinke klap als van een stevige oorvijg, gevolgd door een intens vermakelijk
gegiechel en bijna meteen daarop kwam de practicante weer de gang op.
Brandend van inmiddels verworven Spaanse nieuwsgierigheid ging ik naar de
welstand van de patiënte informeren en hoorde daar dat zij uiterst tevreden was
over de manier waarop de injectie was toegediend. Zonder pijn of enig ander
ongemak. Maar hoe het was gebeurd kon zij niet zeggen, want ze had met het hoofd
in het kussen gelegen, omdat de naald in haar bibs was gegaan en zij dat niet
optisch had kunnen waarnemen. Het bleef dus een mysterie.
Het raadsel werd niet lang daarna opgelost toen een mannelijke patiënt voor
ongeveer dezelfde aandoening medische hulp nodig had. Zelfde procedure: Don
Rafaël bellen, 50 Pesetas krijgen, wachten op de taxichauffeur/practicante en
mee naar boven. Omdat het nu een mannelijke patiënt betrof, dacht ik dat hij wel
wat morele steun van een sexegenoot kon gebruiken en bood aan zijn hand vast te
houden, wat in dank werd aanvaard. Nieuwsgierigheid mijnerzijds was slechts een
zeer geringe drijfveer, zoals de lezer zal inzien.
En daar, aan de rand van het bed, was ik getuige van een procedure die zich in
een razend snel tempo afwikkelde: De practicante tovert uit zijn jaszak een
metalen doosje met een injectiespuit + naald en plaatst het dekseltje nauwgezet
naast het doosje. Uit een andere zak komt een flesje met blauwe vloeistof,
kennelijk spiritus, waarvan hij wat in het dekseltje giet. Uit weer een andere
zak komt een flesje met injectie-vloeistof dat driftig wordt geschud. De
spiritus wordt aangestoken met een lucifer die uit de borstzak komt, de naald
wordt erin gehouden en vervolgens in het flesje gestoken. Omkeren, opzuigen en
naald omhoog houden om de lucht eruit te laten gaan. Meteen als er een druppel
uit de naald komt, geeft de practicante een harde klap op de blote bil van de
patiënt en jenst de naald op de plek van de klap in het vlees. De spuit wordt
behoedzaam geleegd en daar volgt de reeds bekende luide giechel. Einde operatie,
de patiënt haalt opgelucht adem en blikt de practicante dankbaar in het gelaat.
Hij heeft inderdaad niets gevoeld en betaalt met graagte het honorarium van 25
Pesetas.
Don Rafaël is nu oud en der dagen zat en woont rustig op de hellingen van de
Tamadaba en speelt er dagelijks een rondje golf. Ik heb hem de laatste keer nog
even gesproken en we hebben samen weer gegrinnikt over het medisch gebeuren
zoals ik dat toen nog herhaalde malen mocht meemaken.Telkens met goed gevolg.
De lessen van
Antonio en verder…………
Als je de gelegenheid krijgt om gedurende 4½ kmaand als reisleider op de
Canarische Eilanden te zitten en verder weinig meer om handen hebt dan af en toe
een excursie te organiseren, klachten te verhelpen, informatie te geven en op
allerlei manieren je gasten van dienst te zijn, dan blijft er toch nog wel
ruimschoots tijd over voor zaken ten eigen nutte.
Zoals b.v. het leren van goed Spaans en het krijgen van een behoorlijke kennis
van de Spaanse geschiedenis. Dat is me in twee winters op Gran Canaria best goed
gelukt. Ik maakte vrijwel de eerste dag van de eerste overwintering al kennis
met een geestelijke in de Kathedraal van Las Palmas, die me wel wilde helpen op
voorwaarde dat ik hem zou helpen met Engels. Omdat de Padre vroeger Spaans en
Spaanse geschiedenis had gedoceerd op het Seminarie, had ik geen betere
leermeester kunnen treffen; ook al omdat hij knap streng was en een forse
krachtterm ter onderstreping van zijn wrevel over mijn fouten niet schuwde.
De lessen waren in het Bisschoppelijk Paleis van Las Palmas, drie ochtenden in
de week en dat was best pittig. Maar evenzo belangrijk was de gelegenheid om te
oefenen en het geleerde in practijk te brengen. Ook daar had ik geluk mee, want
de chef-kok van Hotel Santa Brigida, waar ik mijn “hoofdkwartier” had, maakte
mij bekend met zijn zoon Antonio. En dat werd het begin van een (h)echte
vriendschap, die met een onderbreking(?) van ruim 35 jaar, tot op de dag van
vandaag nog voortduurt.
Antonio had een paar jaar op het Seminarie gezeten, maar toen het beslissende
moment kwam om te kiezen voor het celibaat, speelden de hormonen in alle volle
hevigheid op en ging Antonio bij zijn vader te biecht om te vertellen dat hij de
toog aan de wilgen ging hangen. Dat viel niet zo best, want vader had voordien
al generlei aanleg noch geneigdheid bij zoonlief geconstateerd voor het edele
koksvak en een plaats achter de fornuizen naast Pa zat er dus niet echt in.
Goede raad was duur en dat gold ook letterlijk, want tegenover het Hotel kwam
plotsklaps een klein barretje vrij, wat een ideale parkeerplaats voor de
geflopte pastoor zou blijken te zijn. Antonio werd er met de centen van Pa in
geïnstalleerd en maakte er in zéér korte tijd een geliefde wijkplaats van voor
veel hotelgasten, die de formele sfeer en de hoge prijzen van de drankjes in de
hotelbar wilden ontvluchten. Het waren niet eens zozeer de lagere prijzen die
verlokkend werkten, maar de gezellige atmosfeer en de speciale manier waarmee
Antonio met zijn gasten verkeerde, waren de sleutels tot het geheim. Bovendien
droegen later ook Antonio’s vrouw en tot op zekere hoogte ook nog de vertedering
van de gasten voor hun jonge dochtertje ertoe bij dat de baar altijd zeer goed
bezet was en de levendigheid op het kleine terrasje ervóór was ook al een
kasmagneet.
Maar tussen de bedrijven door spraken Antonio en ik ijverig Spaans en kreeg ik
alle kans mijn kennis en spreekvaardigheid te toetsen en te vergroten.
Daarbij had Antonio een levendige belangstelling voor geschiedenis en hielp me
met verhalen door de taaie stof heen van de 13 delen van de “Historia de España”
waaruit de Padre mij regelmatig hoofdstukken als huiswerk meegaf.Het wemelt me
nu nog in het hoofd van de Borbones, de Braganzas, de talrijke Carloses,
hidalgos, reyes, gobernadores die in die 13 Tomas actief waren. En daar heb ik
als reisleider later onderweg ook veel profijt van gehad, want Spanje is een
groot land en als je met een bus vol gasten de lange stukken tussen de
pleisterplaatsen moet afleggen is het wel een welkome afwisseling voor zowel de
reisleider als voor zijn gasten als hij op daarvoor passende momenten een goed
verhaal kan vertellen over de vele interessante en leuke aspecten van de Spaanse
geschiedenis. En toen ik dus na de Canarische avonturen weer de “gewone”
rondreizen door Spanje deed, bekleedde ik naast de chauffeur als het ware een
“leerstoel” van waaruit telkenmale college werd gegeven met hoofdstukken uit de
“Historia de España”. Hierbij telkens denkende aan de bronnen van mijn kennis:
de Padre en Antonio.
Toen ik ongeveer ruim dertig jaar later weer terug was op Gran Canaria om mijn
vrouw eens te laten zien wat en waar ik alles had beleefd, was de Padre
inmiddels helaas vertrokken naar het Paradijs waarheen hij zijn gelovigen zolang
had verwezen.
Maar een van de eerste nostalgische tripjes was natuurlijk naar Santa Brigida om
te zien hoe Antonio het zou maken in zijn barretje. Het destijds vermaarde Hotel
Santa Brigida was helaas overwoekerd door welig tierend lover en Antonio’s
barretje was met planken dichtgetimmerd en in verregaande staat van verval. Dus
vertwijfeld maar een oude inwoner aangeschoten in de hoop dat die me zou kunnen
vertellen wat er van Antonio geworden was. Hij wist alleen te vertellen dat
Antonio vertrokken was naar Playa Inglès of Maspalomas en daar een “commercio”
had, maar zijn dochter, die daar toevallig net langs kwam en door hem werd
aangewezen, kon mij zeker meer vertellen.
Als wat vreemde, maar toch ontwapenende inleiding kon ik haar vertellen dat ik
haar noch in mijn armen en op de knie gehad had en omdat haar vader mij dat
destijds had toevertrouwd, zij me nu rustig kon vertellen hoe het hem vergaan
was.
Met wat ik toen vernam vertrok ik spoorslags terug naar Playa Inglès, waar wij
toevallig een appartementje hadden gehuurd en belde ik het opgegeven
telefoonnummer. Ja hoor, Antonio aan de lijn, die zich zijn klant,gast en
leerling holandès nog prima herinnerde en me meteen met mijn vrouw uitnodigde om
diezelfde avond bij hem te komen eten. De taxichauffeur, die ons zou brengen
wist zonder mankeren waar moesten zijn, want het was een bij buitenlandse gasten
druk bezocht etablissement.
Stel U voor: Antonio wachtte ons op bij de ingang van een enorme zaal waar aan
houten tafels en banken zeker 2000 gasten een plaats kunnen vinden. Er hangt een
heerlijke geur van gebraad en in de verte ontwaart men een complete os aan het
spit, die boven een origineel houtskoolvuur draait. Antonio springt het toneel
op en verwelkomt zijn ( merendeels Scandinavische ) gasten in voor mijn oor
behoorlijk Fins, Noors, Zweeds en Deens. En als toegift nog een paar hartelijke
woorden in het Frans, Spaans, Duits en Engels. Hij kondigt het programma aan van
Canarische en Spaanse muziek en dansen. En dat is dan de Antonio uit het kleine
barretje van Santa Brigida, die ons de volgende dag, ter gelegenheid van mijn
vrouw’s verjaardag in zijn riante Mercedes rondrijdt over Gran Canaria.
Ik zie alle plaatsen en gebouwen weer die ik zelf ruim veertig jaar geleden aan
mijn gasten liet zien en in wezen is er dus niet veel veranderd. Maar “in mijn
tijd” kon je niet van Las Palmas helemaal langs de westkust naar Mas Palomas. En
waar nu de toeristen-paleizen van Playa Ingles verrezen zijn, lag toen alleen
maar en armoedig gehucht, Arguineguin, met krotten van golfplaat en triplex als
behuizing voor de moderne slaven die moesten werken op de tomaten-plantages in
het midden van het eiland. Niet voor geld, maar voor een betaling in natura van
tomaten, die ze dan alleen maar op de veiling aan de man konden brengen, samen
met de volle kratten van hun werkgever. En daardoor was hun verdienste in
peseta’s natuurlijk veel lager dan het had kunnen zijn bij vrije verkoop op de
markt of aan een ordentelijke groenteboer. Die mensen, of liever hun nazaten,
werken nu als bedienend personeel in die paleizen en hebben alleen al aan de
fooien een, voor hen althans, riant inkomen. Het zij ze van harte gegund en als
U ze zou willen ontmoeten dan mag U even kijken in mijn adresboek en het adres
overnemen van Antonio Santana Miranda’s “Alprende del Amo”. Ik hoop dat U van
gebraden os aan het spit houdt, want U krijgt een vol bord. Maar U kunt er, al
kijkend naar de dansen en genietend van de muziek, de hele avond over doen.

Ik wens U veel plezier en smakelijk eten.
Deze texten zijn allen geschreven
door Dhr. W.Jansen en mogen op geen enkele wijzen worden gebruikt om te
publiceren, zonder toestemming van de schrijver persoonlijk. U kunt Dhr.Jansen
altijd bereiken via het
contactformulier van
www.decanarischeeilanden.nl Dhr. Jansen zal dan persoonlijk contact met u
opnemen als u de juiste gegevens achter laat.