Ingezonden verhalen uit de oude doos,                                  

                             geschreven door Wim Jansen.

 

 

Beste Marcel,
De teksten die ik je heb gestuurd zijn door mijzelf geschreven en zijn een soort neerslag van 2 winters als reisleider voor overwinterende vermogende gasten van het toenmalige reisbureau "De Zuid-Europa Stichting" uit Amsterdam. Lang geleden want het was in de winters van 1959-1960 en 1960-1961. In September van dit jaar word ik 80. Kun je nagaan...........
De reden dat ik mij aan het schrijven ervan heb gezet was jouw vraag op de website van MSN om beschrijvingen van belevenissen. Ik heb had me  aangemeld voor de "De Canarische Eilanden" en las daar je vraag en zodoende........
 
Hierbij het verhaal over mijn eerste kennismaking met de Canarische Eilanden (in feite Gran Canaria), ofschoon ik meende dat ik je dat al gestuurd had. Maar ik heb ook wat geschreven voor een groep Senioren, die met z'n allen naar Gran Canaria gaan en iets wilde hebben voor hun interne communicatieblaadje. Vandaar dat ik er niet zeker van ben . Mocht je het al hebben dan moet je maar denken: "doppelt genäht hält besser!". Het verhaal is misschien wel een leuk begin voor de reeks daarop volgende verhaaltjes, als je die wilt plaatsen. Je hebt er nu dus drie en er zijn er voorlopig nog drie in de maak:
  1. De lessen van Antonio en verder.........
  2. De wekelijkse bingo
  3. Lanzarote.

 

 

Eerste kennismaking.

Mijn eerste kennismaking met de Canarische Eilanden was in de zestiger jaren, toen ik als reisleider meeging met een groep van 35 personen voor een z.g. overwinteringsreis ( van Sinterklaas tot Pasen) van de Europa-Stichting.
We vlogen op een Zondag eind November via Madrid naar Las Palmas, want Gran Canaria was onze bestemming. Om het nog preciezer aan te duiden: we zouden de komende maanden verblijven Hotel Santa Brigida op de hellingen van de (uitgedoofde vulkaan) Tamadaba. Een redelijk luxe hotel dat toebehoorde en onder leiding stond van een vermogende Engelse officiersweduwe met haar zoon Major Quiney, een “uitgetreden” majoor van het voormalige Territorial Army. Een Engelse officier zoals we die ons traditioneel voorstellen.
Voor mij was het de eerste keer dat ik op de Canarische Eilanden was, maar dat is dan niet de inlichting die je als reisleider/gids aan je passagiers verstrekt. Dus nadat de kamers verdeeld waren stelde ik mijn gasten voor de volgende dag in alle rust en kalmte te besteden aan het gewennen aan de nieuwe omgeving en de heerlijke temperatuur, om dan Dinsdag onder mijn leiding kennis te gaan maken met Las Palmas.
Wie stond er dus Maandagmorgen vroeg in de startblokken om gewapend met het Duitstalige gidsje “Einführung zu den Kanarischen Inseln” naar de stad te gaan.? Uw dienaar met een vragende blik, want we waren dan gisteren wel met een eigen bus naar boven gekomen, maar hoe die 11 Km. naar beneden te overbruggen was me nog niet verteld. De receptie bood uitkomst. Er stonden terzijde van het hotel een aantal minibusjes, bemand door evenzoveel “piratas”, die de hotelgasten allen tegelijk bestormden om dan tegen een tevoren onderhandelde prijs de verbinding met de stad te verzorgen. De onderhandelingen ontaardden alras in een soort Poolse landdag, waar geen touw aan vast te knopen was en dus hakte ik de knoop maar door en stapte in de eerste de beste minibus. Of dat inderdaad de beste en goedkoopste was, is toen niet gebleken, maar in de loop van de tijd leerde ik alle piraten met naam en toenaam kennen en dat was een hele mooie aanloop voor een uiterst hechte semi-commerciële relatie, die ik later nog wel eens uitgebreid zal vertellen.
In Las Palmas stopte het busje vóór de Kathedraal bij de twee bronzen honden, die de naamgevers van de eilanden voorstellen, want de naam Canarias komt niet van de bekende kwelende vogeltjes, maar van het Latijnse woord canis , dat hond betekent. Op de eilanden leefde sinds mensenheugenis een hondenras, dat heel speciaal was omdat de honden zéér weinig haargroei hadden en heel lichte ogen. Het zijn die majoreros die de eilanden aan hun verwarrende naam geholpen hebben.
Dat was een uitgelezen startpunt, want in het gidsje stond die kathedraal als eerste en voornaamste bezienswaardigheid vermeld. Het was er donker en zelfs de zilveren kroonluchter, die er moest hangen, was niet te onderscheiden. Gelukkig liep er een geestelijke rond, die zeker welwillend de argeloze toerist zou willen helpen. Er ontspon zich de volgende conversatie:
“Padre, waar hangt de corana de plata die in mijn boekje staat?”
“Die is bij de zilversmid voor reparatie en het zal op z’n Spaans nog wel even duren voordat U hem te zien kunt krijgen. Maar er zijn nog veel meer mooie dingen hier in de stad, zoals het Casa de Colòn. Als U er tijd voor heeft moet U dat zeker gaan zien.”
“Tijd heb ik genoeg, Padre, want ik zit hier tot Pasen en tegen die tijd ken ik de stad waarschijnlijk wel op mijn duimpje.”
“Waarom zit U hier dan zo lang?”
Uitgelegd waarom ik tot Pasen bleef en wat ik deed en dat ik de tijd o.a. goed wilde gebruiken om mijn steenkolen-Spaans te verbeteren.
“Maar U spreekt toch heel goed Spaans?”
“Ik heb altijd geleerd dat paters niet mogen jokken en U maakt het nu wel heel erg bont met Uw compliment.”
Als keuvelend kwamen we buiten op het zon-overgoten plein en nadat mijn ogen weer wat gewend waren aan het overdadige zonlicht, zag ik dat mijn gewijde partner in het gesprek niet de vermoede zwarte toog droeg, maar een toog die afgezet was met purperen biezen en purperen knoopjes. En ter bekroning van het geheel een brede purperen zijden sjerp met kwasten. Uit mijn misdienaarstijd wist ik dat dit minstens een kannunik moest wezen om niet van nog hoger te spreken.
“Als U serieus echt goed Spaans wilt leren in de maanden dat U bij ons te gast bent, wil ik U wel helpen. Maar voor wat hoort wat en als U mij dan Engels wilt leren, dan hebben we een goede afspraak, waar we allebei plezier van kunnen hebben.”
En dat plezier heb ik er nog steeds van, want het bleef niet bij de Spaanse taal alleen, mijn mentor bleek achteraf eerder leraar te zijn geweest op het seminarie van Gran Canaria voor Spaans en geschiedenis. En onder zijn straffe leiding heb ik mij door alle 13 delen van de Historia de España heen geworsteld en zijn mijn geen details van de bewogen en interessante geschiedenis van Spanje bespaard gebleven.
Die straffe leiding loog er niet om, want ik kreeg huiswerk op en bijstomme fouten die ik maakte was het woord tonto soms niet van de lucht. Maar ik ben er nog steeds trots op dat Spanjaarden na al die jaren nog steeds een ietwat Canarische tongval kunnen bespeuren.
De volgende Dinsdagmorgen nam een doorgewinterde reisleider zijn gasten mee door Las Palmas en kon met een gerust hart wijzen op de vele details die hem ( zoals de gasten waarderend opmerkten) natuurlijk door een langdurig verblijf op het eiland en in de stad als interessant voor zijn gasten waren opgevallen.

 

 

 

 

 

De oprichting van het Piraten-Collectief.

Het was op Gran Canaria in de jaren zestig enerzijds allerminst eenvoudig om van Santa Brigida op de hellingen van de Tamadaba naar de hoofdstad Las Palmas te komen, anderzijds was de verbinding uitstekend, veelvuldig, veilig en gezellig. Dat vraagt om uitleg.
Moeilijk was het omdat de verbinding onderhouden werd door een aantal busjes, die bestuurd werden door hun individuele eigenaren. Het gevolg was dat zodra een mogelijke passagier zich maar vertoonde hij/zij belaagd werd door deze piratas, die dan een min of meer aantrekkelijk voorstel deden voor een ritprijs. Door de onderlinge concurrentie van de heren kon dat wel enige tijd in beslag nemen en het hing dan maar af van de onderhandelingsvaardigheden van de toekomstige passagier en/of zijn vervoerder of het een prijs werd, waar de chauffeur ook nog een redelijke boterham aan kon overhouden. In het algemeen werd het dan een boterham “met tevredenheid”, want de piratas gunden elkaar ternauwernood het licht in de ogen en reden daardoor bijna liever met verlies dan elkaar een rit te gunnen.
Maar van de andere kant: er was een behoorlijk aantal busjes, dat regelmatig af en aan reed, in redelijke staat van onderhoud verkeerde en daardoor wel veilig was. Toegegeven, de weg naar beneden, 12 km. Lang, was bochtig, smal en door slecht onderhoud een beetje hobbelig, maar de chauffeurs hadden die weg inmiddels zo ontelbaar vele keren gereden dat zij letterlijk elke steen en kuil in het wegdek van buiten kenden. Bovendien was het geen drukke weg, want het was de toegang van de kust naar het binnenland en daarvoor was de belangstelling toentertijd minimaal. Op de weg tussen Santa Brigida en Las Palmas was er alleen de Centrale Gevangenis van de Canarias en een grote sigarenfabriek, waar de Havana-sigaren werden gemaakt, die men niet rechtstreeks vanuit Fidel Castro’s Cuba kon of wilde importeren.
Omdat ik als reisleider mijn “hoofdkwartier” had in Hotel Santa Brigida, waren de gasten daarvan, net als ikzelf, vaste klanten van de piratas. Met de bijbehorende klachten die ik op mijn bord kreeg: van onvriendelijke behandeling, afgezet worden door te weinig te hebben teruggekregen of teveel te hebben moeten betalen, op de verkeerde plaats te moeten uitstappen en alles wat daartussen kan liggen.
Na verloop van niet al te lange tijd ging mij dat knap de keel uithangen en ik besloot eens met de piratas te gaan praten of daar niet iets aan te doen was. Dat was nog lang geen eenvoudige opgave, want er was natuurlijk geen woordvoerder, laat staan een gemeenschappelijk standpunt. Er was eigenlijk maar één weg begaanbaar. Eerst met ieder individueel te praten om instemming te krijgen met een plan dat ik in mijn hoofd had en daarmee, van man tot man gaande, een olievlek-achtig procédé op gang te brengen waardoor na verloop van tijd iedereen zou weten wat een mogelijke oplossing zou kunnen zijn voor hun onderlinge naijver en de nadelige gevolgen daarvan.
Mijn plan was namelijk om samen met hen een soort syndicaat te vormen, waarin zij allen zonder uitzondering zouden deelnemen. Er zou dan een prijsafspraak moeten komen voor een rittarief dat zij allen zouden hanteren en waarvan zij een bepaald deel zouden afdragen voor gezamelijke besteding aan onderhoud, vervanging en wat dies meer zij. Middels een soort stemming zouden ze moeten bepalen wie hun vertegenwoordigers zouden zijn naar buiten om het hele concept ook administratief netjes op de rails te zetten.
Onder mijn gasten was een voormalig jurist en notaris, die weliswaar geen expert was op het gebied van Spaans ondernemingsrecht, maar dat wel in een voor Nederland geldige vorm kon gieten. Dat heb ik vervolgens met hulp van een Canarische relatie in correct legaal Spaans vertaald gekregen en dat was althans een begin van een zenuwslopend traject om alle piratas op één lijn te krijgen.
Maar uiteindelijk is het toch gelukt en ongeveer een maand vóór ik vertrok aan het einde van de overwinteringsperiode, was het zover. We hadden een “Capo” die door allen als “Eerste onder zijns gelijken” werd aanvaard. Er was ook een vrijwilliger uit Santa Brigida die vroeger als boekhouder had gewerkt en die bereid was de centen te beheren en iedere deelnemer aan het eind van de week zijn aandeel uit te betalen.
Dat bestond dan uit een vast bedrag dat was samengesteld uit een groot percentage van de gezamelijke opbrengst, gedeeld door het aantal deelnemers. Daarnaast kwam dan nog een luttel bedrag bij op grond van ieders uitgevoerde ritten en rekening houdend met het aantal passagiers en het tijdstip van de uitgevoerde ritten: vóór acht uur ’s morgens, tijdens de siësta en na acht uur ’s avonds. En natuurlijk werd een voldoende percentage ingehouden en gereserveerd voor onderhoud, verzekeringen, vervangingen, vergoedingen en salarissen voor werk ten algemene nutte. Op papier en in theorie was het een alleszins aanvaardbaar concept en het kostte dan ook betrekkelijk weinig moeite om daarvoor alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Maar toen de practijk dan moest gaan werken en iedereen de eerste uitkering uit de gemeenschappelijke pot zou gaan krijgen, sloeg het sceptische duiveltje toe en begon de strijd tegen het wantrouwen en het gevecht om het vertrouwen in de toch gezamenlijk aanvaarde leiding en beheer. Maar uiteindelijk is het inderdaad toch gelukt. Toen ik in 1994 voor een korte vacantie terug was op Gran Canaria zag ik met groot genoegen dat het concept na 30 jaar nog steeds goed werkte en nog niet zo heel lang geleden heb ik tot mijn zeer grote voldoening uit zéér betrouwbare bron vernomen dat ook na ruim 40 jaar de “Piratas” voortgaan in onderlinge harmonie en met profijtelijk gewin passagiers van Santa Brigida naar Las Palmas te brengen. Toch leuk, hè?

 

 

 

 

 

De injecties van de practicante.

Voor wie als reisleider in de zestiger jaren als reisleider voor een groep overwinterende gasten op de Canarische Eilanden werkzaam was, bleek het een heel aparte ervaring te zijn als een van de gasten een lichamelijke stoornis vertoonde waarvoor medische assistentie noodzakelijk bleek.
De eerste stap was dan een gang naar de receptie van het hotel om daar via de receptionist een dokter te waarschuwen. De tweede stap was het overwinnen van de traditionele Spaanse nieuwsgierigheid bij de receptionist die eerst een volledig inzicht in het onderhavige ziektebeeld wilde hebben, voordat hij over te halen was om de dokter te bellen. Maar als die hindernis genomen was, duurde het maar heel even voordat de geneesheer zich hijgend van het haasten meldde.
De ware reden van die haast werd al snel duidelijk, want de dokter talmde niet lang om de reisleider ervan te doordringen dat “en caso de enfermedad, siempre llamar el doctor Don Rafaël” de beste garantie was om een spoedige genezing te bewerkstelligen. En dat het “in geval van ziekte altijd Dokter Don Rafaël bellen” niet vergeten zou worden, voelde de reisleider discreet een biljet van 50 Pesetas in de palm van zijn hand kietelen.
Dan spoorslags naar boven waar de patiënte, een vermogende weduwe, aan een grondig onderzoek werd onderworpen, zoals zij even later, niet ontevreden over de genezerik, aan de geduldig op de gang wachtende reisleider verklaarde.
Ik verwachtte dat ik een recept zou krijgen om daarmee naar de apotheek te kunnen gaan om een medicijn te halen, maar de dokter verzekerde mij dat een injectie in dit geval meer effect zou hebben en dat die injectie wat later in de middag door de “practicante” zou worden toegediend. Het leek mij duidelijk dat dat een verpleegkundige zou zijn, bekwaam en bevoegd tot die geneeskundige ingreep. Tot die tijd, aldus de dokter, hoefde ik mij geen zorgen te maken over het welzijn van “onze” patiënte, haar aandoening was niet ernstig.
Tegen het aangekondigde tijdstip wachtte ik bij de receptie op de komst van de practicante en knoopte intussen een gesprekje aan met wat Engelse gasten, aan wie ik vertelde dat ik elk ogenblik de injecteur kon verwelkomen. Even later verscheen een persoon, die aan mijn gezelschap de verschrikte kreet ontlokte: “But that’s the taxi-driver !!” en die zichzelf nu als “el practicante” aandiende en voorstelde. Ons aller ongelovige blik was voor de receptionist aanleiding om mij rap te vertellen dat in Spanje toentertijd artsen niet zelf injecties toedienden, maar dat overlieten aan bekwame en ook bevoegde personen, die dan als practicantes werden ingeschreven en die, na een ter zake aangepaste en voltooide opleiding, dat als nevenberoep mochten uitoefenen.
Nauwelijks gerustgesteld ging ik met hem naar boven en liet hem binnen bij mijn zieke weduwe. Zelf wachtte ik natuurlijk discreet en toch wat nerveus op de gang. Even later kwam een van de kamermeisjes voorbij en verbaasd om mij daar drentelend op de gang te zien ijsberen, wilde ze natuurlijk weten wat er aan de hand was. Vertelde haar dat de practicante er was, dat ik niet wist hoe lang het zou duren en dat ik wel zou zien als hij weer naar buiten kwam. Dat was heel makkelijk zei ze: “U hoort een flinke klap, dan een luid gegiechel van de man en even later komt hij dan naar buiten.” En inderdaad, niet lang daarna hoorde ik een flinke klap als van een stevige oorvijg, gevolgd door een intens vermakelijk gegiechel en bijna meteen daarop kwam de practicante weer de gang op.
Brandend van inmiddels verworven Spaanse nieuwsgierigheid ging ik naar de welstand van de patiënte informeren en hoorde daar dat zij uiterst tevreden was over de manier waarop de injectie was toegediend. Zonder pijn of enig ander ongemak. Maar hoe het was gebeurd kon zij niet zeggen, want ze had met het hoofd in het kussen gelegen, omdat de naald in haar bibs was gegaan en zij dat niet optisch had kunnen waarnemen. Het bleef dus een mysterie.
Het raadsel werd niet lang daarna opgelost toen een mannelijke patiënt voor ongeveer dezelfde aandoening medische hulp nodig had. Zelfde procedure: Don Rafaël bellen, 50 Pesetas krijgen, wachten op de taxichauffeur/practicante en mee naar boven. Omdat het nu een mannelijke patiënt betrof, dacht ik dat hij wel wat morele steun van een sexegenoot kon gebruiken en bood aan zijn hand vast te houden, wat in dank werd aanvaard. Nieuwsgierigheid mijnerzijds was slechts een zeer geringe drijfveer, zoals de lezer zal inzien.
En daar, aan de rand van het bed, was ik getuige van een procedure die zich in een razend snel tempo afwikkelde: De practicante tovert uit zijn jaszak een metalen doosje met een injectiespuit + naald en plaatst het dekseltje nauwgezet naast het doosje. Uit een andere zak komt een flesje met blauwe vloeistof, kennelijk spiritus, waarvan hij wat in het dekseltje giet. Uit weer een andere zak komt een flesje met injectie-vloeistof dat driftig wordt geschud. De spiritus wordt aangestoken met een lucifer die uit de borstzak komt, de naald wordt erin gehouden en vervolgens in het flesje gestoken. Omkeren, opzuigen en naald omhoog houden om de lucht eruit te laten gaan. Meteen als er een druppel uit de naald komt, geeft de practicante een harde klap op de blote bil van de patiënt en jenst de naald op de plek van de klap in het vlees. De spuit wordt behoedzaam geleegd en daar volgt de reeds bekende luide giechel. Einde operatie, de patiënt haalt opgelucht adem en blikt de practicante dankbaar in het gelaat. Hij heeft inderdaad niets gevoeld en betaalt met graagte het honorarium van 25 Pesetas.
Don Rafaël is nu oud en der dagen zat en woont rustig op de hellingen van de Tamadaba en speelt er dagelijks een rondje golf. Ik heb hem de laatste keer nog even gesproken en we hebben samen weer gegrinnikt over het medisch gebeuren zoals ik dat toen nog herhaalde malen mocht meemaken.Telkens met goed gevolg.

 

 

 

 

 

De lessen van Antonio en verder…………

Als je de gelegenheid krijgt om gedurende 4½ kmaand als reisleider op de Canarische Eilanden te zitten en verder weinig meer om handen hebt dan af en toe een excursie te organiseren, klachten te verhelpen, informatie te geven en op allerlei manieren je gasten van dienst te zijn, dan blijft er toch nog wel ruimschoots tijd over voor zaken ten eigen nutte.
Zoals b.v. het leren van goed Spaans en het krijgen van een behoorlijke kennis van de Spaanse geschiedenis. Dat is me in twee winters op Gran Canaria best goed gelukt. Ik maakte vrijwel de eerste dag van de eerste overwintering al kennis met een geestelijke in de Kathedraal van Las Palmas, die me wel wilde helpen op voorwaarde dat ik hem zou helpen met Engels. Omdat de Padre vroeger Spaans en Spaanse geschiedenis had gedoceerd op het Seminarie, had ik geen betere leermeester kunnen treffen; ook al omdat hij knap streng was en een forse krachtterm ter onderstreping van zijn wrevel over mijn fouten niet schuwde.
De lessen waren in het Bisschoppelijk Paleis van Las Palmas, drie ochtenden in de week en dat was best pittig. Maar evenzo belangrijk was de gelegenheid om te oefenen en het geleerde in practijk te brengen. Ook daar had ik geluk mee, want de chef-kok van Hotel Santa Brigida, waar ik mijn “hoofdkwartier” had, maakte mij bekend met zijn zoon Antonio. En dat werd het begin van een (h)echte vriendschap, die met een onderbreking(?) van ruim 35 jaar, tot op de dag van vandaag nog voortduurt.
Antonio had een paar jaar op het Seminarie gezeten, maar toen het beslissende moment kwam om te kiezen voor het celibaat, speelden de hormonen in alle volle hevigheid op en ging Antonio bij zijn vader te biecht om te vertellen dat hij de toog aan de wilgen ging hangen. Dat viel niet zo best, want vader had voordien al generlei aanleg noch geneigdheid bij zoonlief geconstateerd voor het edele koksvak en een plaats achter de fornuizen naast Pa zat er dus niet echt in.
Goede raad was duur en dat gold ook letterlijk, want tegenover het Hotel kwam plotsklaps een klein barretje vrij, wat een ideale parkeerplaats voor de geflopte pastoor zou blijken te zijn. Antonio werd er met de centen van Pa in geïnstalleerd en maakte er in zéér korte tijd een geliefde wijkplaats van voor veel hotelgasten, die de formele sfeer en de hoge prijzen van de drankjes in de hotelbar wilden ontvluchten. Het waren niet eens zozeer de lagere prijzen die verlokkend werkten, maar de gezellige atmosfeer en de speciale manier waarmee Antonio met zijn gasten verkeerde, waren de sleutels tot het geheim. Bovendien droegen later ook Antonio’s vrouw en tot op zekere hoogte ook nog de vertedering van de gasten voor hun jonge dochtertje ertoe bij dat de baar altijd zeer goed bezet was en de levendigheid op het kleine terrasje ervóór was ook al een kasmagneet.
Maar tussen de bedrijven door spraken Antonio en ik ijverig Spaans en kreeg ik alle kans mijn kennis en spreekvaardigheid te toetsen en te vergroten.
Daarbij had Antonio een levendige belangstelling voor geschiedenis en hielp me met verhalen door de taaie stof heen van de 13 delen van de “Historia de España” waaruit de Padre mij regelmatig hoofdstukken als huiswerk meegaf.Het wemelt me nu nog in het hoofd van de Borbones, de Braganzas, de talrijke Carloses, hidalgos, reyes, gobernadores die in die 13 Tomas actief waren. En daar heb ik als reisleider later onderweg ook veel profijt van gehad, want Spanje is een groot land en als je met een bus vol gasten de lange stukken tussen de pleisterplaatsen moet afleggen is het wel een welkome afwisseling voor zowel de reisleider als voor zijn gasten als hij op daarvoor passende momenten een goed verhaal kan vertellen over de vele interessante en leuke aspecten van de Spaanse geschiedenis. En toen ik dus na de Canarische avonturen weer de “gewone” rondreizen door Spanje deed, bekleedde ik naast de chauffeur als het ware een “leerstoel” van waaruit telkenmale college werd gegeven met hoofdstukken uit de “Historia de España”. Hierbij telkens denkende aan de bronnen van mijn kennis: de Padre en Antonio.
Toen ik ongeveer ruim dertig jaar later weer terug was op Gran Canaria om mijn vrouw eens te laten zien wat en waar ik alles had beleefd, was de Padre inmiddels helaas vertrokken naar het Paradijs waarheen hij zijn gelovigen zolang had verwezen.
Maar een van de eerste nostalgische tripjes was natuurlijk naar Santa Brigida om te zien hoe Antonio het zou maken in zijn barretje. Het destijds vermaarde Hotel Santa Brigida was helaas overwoekerd door welig tierend lover en Antonio’s barretje was met planken dichtgetimmerd en in verregaande staat van verval. Dus vertwijfeld maar een oude inwoner aangeschoten in de hoop dat die me zou kunnen vertellen wat er van Antonio geworden was. Hij wist alleen te vertellen dat Antonio vertrokken was naar Playa Inglès of Maspalomas en daar een “commercio” had, maar zijn dochter, die daar toevallig net langs kwam en door hem werd aangewezen, kon mij zeker meer vertellen.
Als wat vreemde, maar toch ontwapenende inleiding kon ik haar vertellen dat ik haar noch in mijn armen en op de knie gehad had en omdat haar vader mij dat destijds had toevertrouwd, zij me nu rustig kon vertellen hoe het hem vergaan was.
Met wat ik toen vernam vertrok ik spoorslags terug naar Playa Inglès, waar wij toevallig een appartementje hadden gehuurd en belde ik het opgegeven telefoonnummer. Ja hoor, Antonio aan de lijn, die zich zijn klant,gast en leerling holandès nog prima herinnerde en me meteen met mijn vrouw uitnodigde om diezelfde avond bij hem te komen eten. De taxichauffeur, die ons zou brengen wist zonder mankeren waar moesten zijn, want het was een bij buitenlandse gasten druk bezocht etablissement.
Stel U voor: Antonio wachtte ons op bij de ingang van een enorme zaal waar aan houten tafels en banken zeker 2000 gasten een plaats kunnen vinden. Er hangt een heerlijke geur van gebraad en in de verte ontwaart men een complete os aan het spit, die boven een origineel houtskoolvuur draait. Antonio springt het toneel op en verwelkomt zijn ( merendeels Scandinavische ) gasten in voor mijn oor behoorlijk Fins, Noors, Zweeds en Deens. En als toegift nog een paar hartelijke woorden in het Frans, Spaans, Duits en Engels. Hij kondigt het programma aan van Canarische en Spaanse muziek en dansen. En dat is dan de Antonio uit het kleine barretje van Santa Brigida, die ons de volgende dag, ter gelegenheid van mijn vrouw’s verjaardag in zijn riante Mercedes rondrijdt over Gran Canaria.
Ik zie alle plaatsen en gebouwen weer die ik zelf ruim veertig jaar geleden aan mijn gasten liet zien en in wezen is er dus niet veel veranderd. Maar “in mijn tijd” kon je niet van Las Palmas helemaal langs de westkust naar Mas Palomas. En waar nu de toeristen-paleizen van Playa Ingles verrezen zijn, lag toen alleen maar en armoedig gehucht, Arguineguin, met krotten van golfplaat en triplex als behuizing voor de moderne slaven die moesten werken op de tomaten-plantages in het midden van het eiland. Niet voor geld, maar voor een betaling in natura van tomaten, die ze dan alleen maar op de veiling aan de man konden brengen, samen met de volle kratten van hun werkgever. En daardoor was hun verdienste in peseta’s natuurlijk veel lager dan het had kunnen zijn bij vrije verkoop op de markt of aan een ordentelijke groenteboer. Die mensen, of liever hun nazaten, werken nu als bedienend personeel in die paleizen en hebben alleen al aan de fooien een, voor hen althans, riant inkomen. Het zij ze van harte gegund en als U ze zou willen ontmoeten dan mag U even kijken in mijn adresboek en het adres overnemen van Antonio Santana Miranda’s “Alprende del Amo”. Ik hoop dat U van gebraden os aan het spit houdt, want U krijgt een vol bord. Maar U kunt er, al kijkend naar de dansen en genietend van de muziek, de hele avond over doen.
 


Ik wens U veel plezier en smakelijk eten.

 

 

 

 

 

Deze texten zijn allen geschreven door Dhr. W.Jansen en mogen op geen enkele wijzen worden gebruikt om te publiceren, zonder toestemming van de schrijver persoonlijk. U kunt Dhr.Jansen altijd bereiken via het contactformulier van www.decanarischeeilanden.nl Dhr. Jansen zal dan persoonlijk contact met u opnemen als u de juiste gegevens achter laat.